Pilots Aquacultuur
Vanaf 2011
Fry-Marine, een coöperatieve opzet voor een broedhuis voor marien pootgoed.
In de afgelopen jaren is bij betrokken partijen het inzicht
gegroeid dat een broedhuis, of het nu schaal of schelpdieren of vis
is, coöperatief van opzet moet zijn om structureel operationeel te
blijven. Dit geldt althans voor de situatie in Nederland. Fry-Marine is
een coöperatie, waarbij leden pootgoed kunnen afnemen. Als
eerste pootgoed wordt Tarbot voorzien, waarbij de faciliteiten bij
Zeeschelp gebruikt worden om een eigen broedstock te laten paaien en
juveniele vis aan de leden Seafarm en Grovisco te leveren voor
verdere opkweek.



In deze studie wordt gezocht naar een forse verbetering van het
kweekrendement van de vislarven, waarbij een gangbaar routine
rendement van ei tot juveniel circa 20% is. In vergelijking met
schelpdierlarven is dit een laag percentage, en om dit te verbeteren
is het voedselaanbod aan de vislarven van belang. Gangbaar is een
dieet van rotiferen en pekelkreeftjes (artemia), maar uit literatuur
komt naar voren dat een dieet van roeipootkreeftjes (copepoden) veel
beter aansluit op de behoefte van vislarven. Vandaar dat wij ons
richten op de voedselkweek van copepoden, die echter bewerkelijker
is dan rotiferen en pekelkreeftjes. Dit zal terug moeten komen in de
uiteindelijke kwaliteit van de pootvis. Eerste praktijkinzichten
geven aan dat deze voedseldieren een hoge kwaliteit pootvis oplevert
die in de kwekerij snel doorgroeit. Het project wordt ondersteund
met subsidie vanuit het EVF-fonds Innovatie in de visketen.
Zeewierkweek Oosterschelde
De teelt van zeewier bevindt zich in Nederland nog in een
ontwikkelingsfase en daarom wordt onder aanvoering van Willem
Brandenburg van PRI een pilot opgestart in de Schelphoek. De
belangstelling voor de teelt van zeewier is groeiende. Zeewier kent
vele toepassingen, van culinair, voor cosmetica, als voor de winning
van specifieke kleurstoffen en andere chemische verbindingen die in
sommige wieren voor komen.


Bij de pilot zijn verder Hortimare, Hogeschool Zeeland,
machinefabriek Bakker, Economische Impuls Zeeland, projectbureau
Zeeland en stichting Zeeschelp betrokken. Het doel is het
ontwikkelen en testen van een kleinschalig systeem voor de teelt van
zeewier dat zelfstandig kan worden toegepast als eerste stap in de
ontwikkeling van een “zeeboerderij” voor zeewierteelt in open zee,
nearshore en/of offshore. Het systeem wordt in het voorjaar van 2011
in de Schelphoek geïnstalleerd en de pilot loopt 3 jaar.
Vanaf 2010
Mosselkweek MZI vs. Hatchery
In vervolg op het project Commissarismossel zal in dit project de kostprijs en kwaliteit van mosselen vanuit een hatchery vergeleken worden met mosselen die via MZI(MosselZaadInvanginstallaties) zijn verkregen. MZI worden gebruikt als alternatief voor de bodemzaadvisserij, en is een ‘concurrent’ van de hatcherytechniek. Om deze slag te maken is opschaling en modernisering van de hatchery nodig. Hiervoor worden de kweekruimten en ook de kweektechnieken grondig herzien om met zo min mogelijk mankracht, energie en ruimte een hoge productie te halen. Het mosselzaad vanuit hatchery en mzi technieken wordt zowel in hangcultuur als in bodemcultuur toegepast en met elkaar vergeleken. De looptijd is 2010-2013, in samenwerking met de Zeeuwse Mossel uit Bruinisse en Viskwekerij Neeltje Jans. Het project wordt ondersteund met subsidie vanuit het EVF-fonds Innovatie in de visketen.
De kweek van Zeekreeft in Scherpenisse
Wederom een initiatief van de Familie Bolier en dit keer in samenwerking met onderzoeksbureau Marinx, stichting Zeeschelp en de Hogeschool Zeeland. In 2010 is de samenwerking gestart en heeft geleid tot een kleine, maar succesvolle haalbaarheidsstudie van het opkweken van kreeftlarven.




Omdat het broedsucces van zaadkreeften in de inlagen van
Scherpenisse onzeker is, moet de vermeerdering zelf ter hand worden
genomen, waarbij kreeftlarven in kweek en pootkreeftjes in kooien
worden uitgezet in de inlagen. De larvenkweek, huisvesting van jonge
kreeft, en de procedure om succesvol pootkreeftjes uit te zetten in
de inlagen zijn hierin belangrijke onderdelen. Met begeleiding zal
de familie Bolier in de periode 2011-2013 zelf pootkreeftjes gaan
kweken, waarna ze met deze methodiek zelfstandig verder kunnen.
Mocht het mogelijk blijken om jonge kreeft te kweken en deze op te
laten groeien, dan geeft dat ook perspectieven elders in Zeeland
voor binnendijkse kweek van kreeft. Het project is daarmee van
regionale betekenis en wordt dan ook ondersteund met een subsidie
vanuit de Provincie Zeeland. De uitkomsten van het onderzoek zijn
dan ook openbaar.
Sealab (Sealand Environment and Aquaculture Laboratorium) Hogeschool Zeeland
In de afgelopen jaren is een voortdurende en vrijwel continue
samenwerking met de studierichting Aquatische Ecotechnologie van de
Hogeschool Zeeland opgebouwd. Naast samenwerking in diverse
projecten heeft Zeeschelp, in samenwerking met Kees Kloet, een
zoutwaterlaboratorium ingericht op het terrein van HZ, op basis van
de gezamenlijke ervaring bij het inrichten van diverse
praktijkruimten, en praktijkervaring bij de kweek van algen, schaal-
en schelpdieren en vissen. Zodoende zijn er integrale voorzieningen
van zeewater en zout grondwater, opstellingen voor metingen aan
waterkwaliteit, allerlei bassins voor huisvesting van
kweekorganismen en een kas voor de algenkweek. Hier kunnen studenten
ervaring opdoen met onderzoek in de aquacultuur in het algemeen
en/of gericht werken aan afstudeerprojecten.


Foto’s: Hogeschool Zeeland
Vanaf 2009
Broedstock Tarbot
Seafarm uit kamperland en Grovisco uit Stavenisse willen de
bedrijfsvoering verder verbeteren, en willen daarom een broedhuis
voor Tarbot opzetten. IMARES-Yerseke, WUR en Zeeschelp begeleiden en
assisteren bij de opzet en uitvoering. Op het proefstation zijn
faciliteiten voor een broedhuis voor schaal- en schelpdieren
operationeel, en deze faciliteiten komen ook van pas bij een
broedhuis voor vissen. Als aanzet voor een vissenbroedhuis is een
ouderdierenstock van Tarbot op het proefstation gestationeerd, die
op natuurlijke wijze paairijp wordt. Uit deze dieren worden
Tarbotlarven verkregen en op innovatieve wijze opgekweekt tot
juveniel, die vervolgens bij Seafarm en Grovisco verder tot
consumptie kunnen groeien.


De kweek van zagers
Op verzoek van een zagerkweker hebben we de larvenkweek van zandzagers uitgevoerd, omdat dit onderdeel lastig voor hem was. Met onze ervaringen in hatcherytechnieken konden we deze kweker voorzien van pootgoed, waar de kweekvijvers mee zijn bezet.
Aquacultuur van schelpen in het Veerse Meer
Het Veerse Meer heeft de laatste jaren een constant zoutgehalte
en een sterk verbeterde waterkwaliteit door de ‘Katse Heule’ in de
Zandkreekdam.
De werkgroep ‘Veerse Meer Nieuwe Kansen’ (onderdeel van het Visserij
Initiatief Zeeland) ziet in deze nieuwe situatie veel perspectief
voor schelpdierkweek. Samen met beroepsvisser Van de Kreeke heeft
Stichting Zeeschelp een pilot om Kokkels en Tapijtschelpen te gaan
kweken in het Veerse Meer. Van de Kreeke richt zich verder ook op
Oesters en Mosselen.




We willen Kokkels op een duurzame manier kweken, waarbij we gebruik
maken van de hatchery en ook kokkelbroed uit de Westerschelde, dat
’s winters altijd verloren gaat door lage zoutgehalten.
Tapijtschelpen komen in het kustwater niet algemeen voor, maar
hebben een hoge kiloprijs. De broedjes van Tapijtschelpen komen dan
ook uit de hatchery. In de beschutte proeftuinen van het Veerse Meer
is geen of weinig uitval of predatie te verwachten, zodat de
kweekrendementen naar verwachting gunstig zijn.
Vader en zoon Van de Kreeke experimenteren op kleine schaal al
enkele jaren met mosselzaadinvang bij bestaande fuikopstellingen.
Dit levert de grondstof voor de hangcultuur en uiteraard zal er ook
wel een touwtje uit de hatchery komen. Het Veerse Meer is dus
zelfvoorzienend: de gekweekte soorten schelpen komen hier reeds van
nature voor en worden als broedstock gebruikt.
De afzet van schelpen uit het Veerse Meer is vooral rondom het
Veerse Meer en in Zeeland, zodat men kan proeven van schelpen van de
Zeeuwse kust. Hetzelfde geldt voor de uistraling van dit project: de
kennis en kunde kan ook toegepast worden in de Grevelingen, of in
later stadium in het Volkerak-Zoommeer (dat op termijn weer zout
wordt).
De eerste inzichten laten goede groei van schelpen zien en het doel
is te komen tot een rendabele duurzame kweek van Veerse Schelpen. In
deze pilot is daarom gekozen voor uitvoering op semi-bedrijfsmatige
schaal: er komen proeftuinen van een hectare Kokkels, een hectare
Tapijtschelpen, 3 hectare bodemmosselen en 0,5 hectare mosselen in
hangcultuur. Deze pilot loopt van 2009 tot en met 2014. Het project
wordt ondersteund met subsidie vanuit het EVF-fonds Innovatie in de
visketen.
Vanaf 2008
Begeleiding bij MZI’s
MZI’s (mosselzaad invanginstallaties) zijn in opkomst en de
mosselsector experimenteert volop met deze techniek. Het principe
bestaat uit het in het voorjaar uithangen van touw en netwerk in de
waterkolom, waar zich de larven van mosselen op kunnen vestigen, die
dan talrijk in het zeewater voorkomen. Broedval treedt meestal op in
mei en vanaf augustus kan er geoogst worden. Door de vele
verschillende technieken zijn we door verschillende kwekers gevraagd
om hun systeem te monitoren en te evalueren.


Vanuit de hatchery hebben we uiteraard veel inzicht in de
omstandigheden die bij broedval een rol spelen, en vervolgens de
uitgroei tot mosselzaad in buitenwater hangcultuur. Zo ontstaat
inzicht in wanneer, hoeveel en waar er broedval optreedt en hoe dit
op de mzi’s uitgroeit. Met deze gegevens kan ook geschat worden
wanneer het geschikte moment van oogst is. Oogst je te vroeg, dan is
het mosselzaad nog klein en kunnen zeesterren en krabben op de
bodempercelen zich uitleven. Oogst je laat, dan is het zaad ‘harder’
en beter bestand tegen zeesterren en krabben, maar bestaat de kans
dat het door de zwaarte al eerder van de touwen is gevallen en ben
je het kwijt. In de afgelopen jaren blijkt de groei van het
mosselzaad per gebied (Oosterschelde, Waddenzee, Grevelingen)
behoorlijk constant.
Algenkweek
Voor het broedhuis van schelpdieren zijn verschillende soorten
algen nodig en deze worden in een inpandige kas gekweekt in
rechtopstaande plastic zakken. In elke zak stroomt continu
gepasteuriseerd zeewater dat verrijkt is met voedingsstoffen en CO2.
Onder invloed van daglicht (en ’s nachts tl-licht) groeien de algen
uit tot dichtheden van vele miljoenen cellen per milliliter. Zo is
er de continue beschikking over verschillende mariene soorten, zoals
de flagelaten Isochrysis, Pavlova, Dunaliella en Tetraselmis en de
kiezelwieren Phaeodactylum, Skeletonema, Chaetoceros en
Thalassiosira.
Naast eigen gebruik worden deze algen op verzoek ook geleverd, voor
gebruik in aquacultuur- of wetenschappelijke experimenten.
Incidenteel worden andere mariene soorten en ook algen op zoet water
gekweekt. Informeer gerust naar de mogelijkheden.

Mosselpilot VOF Viskwekerij Neeltje Jans en Koninklijke Maatschap Wilhelminapolder
Viskwekerij Neeltje Jans kweekt al vele jaren mosselen in
hangcultuur en innoveert voortdurend in verwerkingsmachines en
teelttechnieken. Maatschap Wilhelminapolder is een (ultra)modern
landbouwbedrijf en innoveert-optimaliseert voortdurend in de teelt
van gewassen.
In deze samenwerking komen visserij en akkerbouw samen: de
mosselkweker brengt de kweektechnieken van mosselen naar het land en
de boer richt een stuk (verzilt) land in met natuurlijke vijvers die
gevoed worden met zout grondwater en kweekt algen als voer voor de
mosselen. Stichting Zeeschelp levert vervolgens mosselbroed en
begeleidt, samen met de Hogeschool Zeeland en Imares, deze
mosselpilot. De start was in juni 2009, en de komende drie jaar
zullen er mosselen groeien op Zeeuwse grond. Noem het
aquagricultuur.


De benadering is gericht op natuurlijke systemen waarin
voorzieningen zijn verwerkt om de waterhuishouding te sturen.
Landschappelijke inpassing is een belangrijk item bij deze pilot,
die qua opzet prima tussen de andere pilots van binnendijkse
schelpkweek past. Er is nu een overkoepelende ervaring in
mogelijkheden van schelpdierkweek met zilt water uit natuurgebieden
(plan Tureluur en de inlagen bij Scherpenisse), landschappelijke
open vijvers en kunstmatige folievijvers bij Sint Philipsland.
Langoesten
Chain Partners in Water heeft faciliteiten op het proefstation
gehuurd om een pre-productieonderzoek uit te voeren naar de eerste
levensfase van de Langoest. Langoesten worden ook wel Rotskreeften
genoemd. Ze zijn verwant aan de Zeekreeft (in Zeeland
‘Oosterscheldekreeft’), maar in prijs zijn ze veel duurder wat ze
erg interessant maakt voor aquacultuur.
Langoesten worden, naast de gangbare visserij, als juveniel gevangen
en in kweek genomen (zoals dat ook met glasaal in palingkweek
gebeurt). De natuurlijke populaties staan echter onder druk en
wereldwijd probeert men voor verschillende soorten langoesten de
kweek van het larvenstadium onder de knie te krijgen. De larven van
langoesten zijn intrigerend, omdat ze een bijzondere gedaante hebben
en er nog weinig van ze bekend is.


Het pre-onderzoek van Chain Partners richt zich op deze larvale fase
tot aan het bodembewonende stadium. De Provincie Zeeland ondersteunt
het onderzoek met subsidie.
Verwateren van mesheften
Seafarm vangt mesheften in de Voordelta en verwerkt deze aan de
Jacobahaven voor verzending binnen en buiten Nederland. Zij leveren
op bestelling en altijd vers. Bij stormachtig weer is de aanvoer wel
eens wisselend en is er soms weinig buffer om alle bestellingen vlot
te verwerken. Daarnaast bevatten mesheften na het vangen in de regel
wat zand, wat bij het eten wel eens tot geknars leidt. Liefhebbers
nemen dit voor lief, maar Seafarm niet. Zij willen continuïteit en
een perfect product.
In 2008 is in samenwerking met Zeeschelp op het proefstation een
laboratoriumstudie opgezet naar de mogelijkheden van verwateren van
mesheften. Factoren die invloed uitoefenen zijn o.a. de
vangtechniek, waterkwaliteit en -zuivering, temperatuur. In een half
jaar tijd werd een goede aanzet gegeven waarbij mesheften (onder
laboratoriumomstandigheden) tot een zandvrij product verwaterd en
meerdere dagen bewaard konden worden alvorens ze werden verpakt,
zonder dat dit de houdbaarheid aantast. Seafarm heeft op basis van
deze ervaringen een verwaterunit gebouwd en kan zo vele tonnen
schelpen in stock houden.


Deze resultaten zijn door Seafarm vanaf 2009 verder uitgewerkt in
een project om een verwaterunit te ontwikkelen die niet alleen voor
mesheften, maar ook voor andere schelpen is te gebruiken.
Vanaf 2007
Winterzaad
Mossellarven ontstaan van nature in april-mei en de larven
vestigen zich in mei-juni. De eerste algenbloei in buitenwater
begint echter al in februari, zodat een flink deel van het
groeiseizoen eigenlijk niet wordt benut. In deze pilot is in de
winterperiodes tussen 2006 en 2009 maandelijks vanuit de hatchery
mosselbroed in hangcultuur gebracht, om in het vroege voorjaar de
planktonbloei te kunnen benutten. Het idee bleek te werken: in juni
2007 werd het eerste mosselzaad reeds geoogst. De lengte was tussen
2 en 3 centimeter, terwijl het mosselbroed dat van nature aanwezig
is krap een centimeter groot was. Deze groeivoorsprong blijft
bestaan in de verdere uitgroei.


In de zomer van 2008 zijn de eerste consumptiemosselen uit het
‘winterzaad’ geoogst.
Dit illustreert een voordeel van een hatchery: de groeiperiode kan
worden ingekort door mosselbroed uit te hangen vanaf het moment dat
er in het vroege voorjaar voedsel is. Dit biedt voor de kweker
voordelen in termen van doorlooptijd. Het winterzaadprincipe is met
opschaling ook in de winter van 2007-2008 en 2008-2009 toegepast.


Mosselakker
De ‘Mosselakker’ ligt in Sint Philipsland, bij landbouwer Wim van
Nieuwenhuijzen. Met steun van Provincie Zeeland en ZLTO wordt
gewerkt met folievijvers voor algenkweek en huisvesting van
mosselbroed uit een hatchery. Het doel is productie van mosselzaad,
en mogelijk doorkweek tot consumptieformaat. Na een aanlooptijd van
regelgeving, de juiste middelen en materialen als ook aanpassingen
door voortschrijdend inzicht is dit voorjaar een aanvang gemaakt met
de kweek.
Door het gebruik van folievijvers is het mogelijk te sturen in de
algensamenstelling, zodat het voedselaanbod te regelen is. Deze
pilot is een eerste stap naar een gereguleerde teelt van
schelpdieren op het land. ZLTO ziet mogelijkheden voor Zeeuwse
landbouwers in zilte teelten.


Naast de techniekontwikkeling is deze pilot ook een voorbeeldproject
voor ondernemers die een zilte kweek willen opstarten. Door alle
ervaringen bij te houden en te verwerken in een handreiking komt men
meer te weten over de eisen en doorlooptijden vanuit de regelgeving,
de materialen die met zilte kweek worden toegepast en over hoe men
zelf een zilte teelt kan opstarten. Het rapport is in januari 2009
opgeleverd, en beschikbaar voor geïnteresseerden. Het geproduceerde
mosselzaad is in maart 2009 voor verdere uitgroei in hangcultuur op
Neeltje Jans genomen. De uitgroei van dit mosselzaad is prima en
heeft in de zomer van 2009 reeds halfwas grootte bereikt (circa 4
cm) en is in het voorjaar van 2010 geoogst als consumptiemossel.
Inmiddels is een vervolgstudie opgestart, met als doel om de
algenproductie in de vijvers te verbeteren.
Pilot ontzilting Evides
Deze pilot is niet gericht op aquacultuur, maar op het ontzilten
van zeewater tot drinkwater. Evides huurt faciliteiten op het
proefstation zoals de aanvoer van (veel) zeewater om dit in de nieuw
gebouwde ontziltingsplant te bewerken tot drinkwater. Evides ziet in
de toenemende verzilting van grond- en oppervlaktewater genoeg
redenen om een pilot uit te voeren naar wat er technisch en
economisch komt kijken om hoogwaardig drinkwater op een minder
gangbare manier te maken. Zo borgt men alle mogelijkheden voor de
toekomst.

Het opgepompte zeewater wordt eerst gefilterd op deeltjes tot 50
micron, en daarna door speciale filters zodat het kraakhelder en
deeltjes- en bacterie en virusvrij is. Na deze stap wordt met
omgekeerde osmose het zout gescheiden van het water, zodat zoet
water overblijft. Dit ondergaat daarna nog een enkele behandeling
zodat het aan de normen voor Nederlands drinkwater voldoet. Evides
innoveert in dit proces door zo weinig mogelijk chemische middelen
en energie te gebruiken t.o.v. de gangbare technieken in het
buitenland.
Over niet al te lange tijd stroomt dit ontzilte water uit de kraan
in de keuken van stichting Zeeschelp en iedereen (behalve de mensen
van Evides) is benieuwd hoe de koffie dan smaakt…
Vanaf 2006
Plan Kokkel in plan Tureluur
Binnendijkse natuurgebieden zoals Plan Tureluur omvatten
honderden hectaren zout water, rijk aan algen. Door in de
nurseryfase kokkels van dit water te voorzien kan wellicht een
economisch rendement uit een natuurgebied mogelijk zijn. Vanuit de
hatchery zijn kokkels gekweekt en als nursery is een proefopstelling
nabij Moriaanshoofd geplaatst, waar algenrijk water doorheen
stroomt. Met deze pilot was een unieke samenwerking van kracht
geworden tussen stichting Zeeschelp, ondernemers (de Zeeuwse Kokkel,
Meromar Seafoods), natuurorganisaties (ZMF, Natuurmonumenten, SBB)
en het ingenieursbureau Grontmij.

In de periode september 2006-september 2007 werden de waterkwaliteit
en de Kokkels nauwlettend gevolgd. Na een jaar experimenteren was de
uitkomst dat Kokkels goed in Plan Tureluur kunnen overleven, maar
niet of nauwelijks groeien. De aanwezige algen zijn geen geschikt
voedselaanbod gebleken, zodat een Plan Kokkel in een natuurgebied
niet levensvatbaar lijkt. Opmerkelijk is dat mossels zich er wel
goed bij voelen. In 2008 is de proef dan ook herhaald met
mosselbroed uit het broedhuis. Het mosselbroed is op lege
kokkelschelpen als substraat gevallen en in het voorjaar van 2008
naar de opstelling gebracht. Daar heeft het tot september 2008 tot
mosselzaad kunnen uitgroeien.
De resultaten met mosselen zijn beter dan met kokkels. Het
mosselbroed is uitgegroeid tot mosselzaad, dus een zilt natuurgebied
als PlanTureluur heeft potentie als nursery.


Wel is het zo dat de uitgroeisnelheid van mosselbroed (1-2 mm) tot
mosselzaad (1-2 cm) met water uit het natuurgebied minder snel is
dan in de Oosterschelde. Dit is een gevolg van de algensamenstelling
in het water van het natuurgebied, die dus niet volledig aansluit op
de optimale voedselbehoefte van de mossel. Plan Tureluur is echter
een gebied in ontwikkeling, dus het kan zijn dat de
algensamenstelling in de toekomst verandert en gunstiger wordt. Het
is dus zaak om over een enkel jaar weer eens te kijken hoe de zaken
staan.


Het mosselzaad is vervolgens in hangcultuur genomen om door te
groeien tot consumptieformaat. De uitgroei van dit mosselzaad is
goed, in voorjaar 2009 is halfwas bereikt en in het voorjaar van
2010 zijn deze als consumptiemosselen geoogst.
Vanaf 2005
Mosselen van Toon Bolier
De inlagen van de Scherpenissepolder worden gevoed met zout
grondwater, waar veel voedingsstoffen voor algen in voorkomen. Deze
algen groeien uitbundig in het water van de inlagen en Toon Bolier
zag samen met stichting Zeeschelp kansen om de kweek van
schelpdieren uit te proberen. Sinds december 2005 zijn we
gezamenlijk bezig om mosselen binnendijks te kweken in de inlagen
van Scherpenisse op Tholen.


Een verhaal van vallen en opstaan, en vooral doorgaan. Uiteindelijk
is het gelukt om in een periode van 13 maanden mossellarven te laten
uitgroeien tot mosselen van 6 centimeter grootte. Toon Bolier eet er
lekker en goed van. Hiermee werd het bewijs geleverd dat het
mogelijk is om in ruim een jaar tijd binnendijks mosselen te kweken,
vanaf het larvestadium tot aan consumptieformaat (6 cm). Met het
juiste voedsel moet zelfs een kweekperiode van 8 tot 10 maanden in
het verschiet liggen.

Foto: Hogeschool Zeeland.
Wel is de overvloedige algenbloei in de inlagen soms een probleem, waarbij ook af en toe ongewenste algensoorten kunnen opkomen. Deze werken soms vertragend op de groei van mosselen. Het kweken in natuurgebieden is dus afhankelijk van factoren, die soms moeilijk te sturen zijn. Op bepaalde momenten is een flinke doorstroming of zelfs een kortstondige drooglegging wenselijk om de kweek van schelpdieren te continueren. Dit soort beperkingen staat opschaling op het moment in de weg, maar er wordt aan gewerkt.
Vanaf het begin
Commissarismossel
In 2004 zijn we op kleine schaal begonnen met de
hatcherytechniek. Gezien de maatschappelijke discussie werd gekozen
voor de Mossel, omdat aan mosselzaad een structureel tekort was
ontstaan. Bart Schot, een mosselpionier in hangcultuur van het
eerste uur, sprak met Marco Dubbeldam over de mogelijkheden die
zouden kunnen ontstaan als het mosselzaad kunstmatig te kweken zou
zijn. Beiden zagen er wel gat in om larven uit mosselen te kweken en
deze te laten opgroeien. De combinatie van een oude rot en een jonge
hond bleek een juiste: beiden hadden oog en oor voor elkaars
inzichten en Bart Schot gaf een enkele keer het duwtje, dat nodig
was om door te gaan.
Intussen waren enkele innovatieve ondernemers nieuwsgierig geworden
en werd er met begeleiding van Syntens een samenwerking opgezet met
de hangcultuurbedrijven Zeeuwse Mossel uit Bruinisse en Viskwekerij
Neeltje Jans.
Wim van Gelder was als voorzitter van het Innovatieplatform
Aquacultuur betrokken bij nieuwe onderwerpen en zag als Commissaris
van de Koningin perspectieven voor Zeeland.
Tijdens een bezoek aan het proefstation zag hij mossellarven onder
de microscoop zwemmen, enkele maanden later zag hij het als
mosselzaad dat in hangcultuur opgroeide en vervolgens een jaar later
lag het op zijn bord in restaurant Oud Sluis van Sergio Herman.


Foto: Hameeteman Foto BV
Zijn betrokkenheid bij dit project was groot en in de
wandelgangen spraken we al gauw van commissariszaadjes en
commissarismosselen. Door de hoge kwaliteit en de flinke afmetingen
van de mosselen, die vanuit de hatchery in anderhalf jaar werden
bereikt, werd de benaming al snel een begrip: Commissarismossel.
Deze unieke mossel wordt nu jaarlijks op kleine schaal gekweekt bij
de Zeeuwse Mossel en Viskwekerij Neeltje Jans.


In de periode vanaf 2005 zijn we elk jaar bezig geweest om het
kweekproces verder te optimaliseren. In september 2009 is tijdens de
Schelpdierconferentie in Yerseke een presentatie gehouden over de
ontstane inzichten in een broedhuis voor mosselen over een periode
van 5 jaar. (zie ook
www.schelpdierconferentie.nl/Files/Day2/Mosselbroedhuis_2005-2009.pdf).
Bijgaande grafieken geven de belangrijkste informatie weer van
productie en kostprijsverloop.


Deze grafieken laten zien dat er elk jaar forse verbeteringen zijn
doorgevoerd. Ook laten zij de gevoelige kant zien: het is (nog
steeds) een kostbaar proces, en het gekweekte schelpdierbroed moet
zonder al te veel uitval tot consumptieafmeting kunnen groeien. In
hangcultuur en binnendijkse kweek zijn hoge kweekrendementen
behaald, die veel hoger liggen dan gebruikelijk in de traditionele
bodemcultuur. Hier liggen dan ook de kansen voor een broedhuis voor
mosselen. In de periode 2010-2013 wordt deze kennis en kunde verder
doorvertaald in het project mosselkweek MZI vs. Hatchery (zie pilots
vanaf 2010).
De broedhuistechniek is uiteraard ook toepasbaar voor kokkels,
tapijtschelpen en oesters. Deze soorten hebben een hogere
marktprijs, waardoor de broedhuistechniek eerder financieel
aantrekkelijk wordt. Dit aspect wordt toegepast in de pilot in het
Veerse Meer waarbij gebruikt wordt gemaakt van beschutte
‘schelpentuinen’ (zie pilots vanaf 2010).