Telefoon: 0113-376296

Fax: 0113-376297

Pilots Aquacultuur

Vanaf 2011

Fry-Marine, een coöperatieve opzet voor een broedhuis voor marien pootgoed.

In de afgelopen jaren is bij betrokken partijen het inzicht gegroeid dat een broedhuis, of het nu schaal of schelpdieren of vis is, coöperatief van opzet moet zijn om structureel operationeel te blijven. Dit geldt althans voor de situatie in Nederland. Fry-Marine is een coöperatie, waarbij leden pootgoed kunnen afnemen. Als eerste pootgoed wordt Tarbot voorzien, waarbij de faciliteiten bij Zeeschelp gebruikt worden om een eigen broedstock te laten paaien en juveniele vis aan de leden Seafarm en Grovisco te leveren voor verdere opkweek.

In deze studie wordt gezocht naar een forse verbetering van het kweekrendement van de vislarven, waarbij een gangbaar routine rendement van ei tot juveniel circa 20% is. In vergelijking met schelpdierlarven is dit een laag percentage, en om dit te verbeteren is het voedselaanbod aan de vislarven van belang. Gangbaar is een dieet van rotiferen en pekelkreeftjes (artemia), maar uit literatuur komt naar voren dat een dieet van roeipootkreeftjes (copepoden) veel beter aansluit op de behoefte van vislarven. Vandaar dat wij ons richten op de voedselkweek van copepoden, die echter bewerkelijker is dan rotiferen en pekelkreeftjes. Dit zal terug moeten komen in de uiteindelijke kwaliteit van de pootvis. Eerste praktijkinzichten geven aan dat deze voedseldieren een hoge kwaliteit pootvis oplevert die in de kwekerij snel doorgroeit. Het project wordt ondersteund met subsidie vanuit het EVF-fonds Innovatie in de visketen.

Zeewierkweek Oosterschelde

De teelt van zeewier bevindt zich in Nederland nog in een ontwikkelingsfase en daarom wordt onder aanvoering van Willem Brandenburg van PRI een pilot opgestart in de Schelphoek. De belangstelling voor de teelt van zeewier is groeiende. Zeewier kent vele toepassingen, van culinair, voor cosmetica, als voor de winning van specifieke kleurstoffen en andere chemische verbindingen die in sommige wieren voor komen.

Bij de pilot zijn verder Hortimare, Hogeschool Zeeland, machinefabriek Bakker, Economische Impuls Zeeland, projectbureau Zeeland en stichting Zeeschelp betrokken. Het doel is het ontwikkelen en testen van een kleinschalig systeem voor de teelt van zeewier dat zelfstandig kan worden toegepast als eerste stap in de ontwikkeling van een “zeeboerderij” voor zeewierteelt in open zee, nearshore en/of offshore. Het systeem wordt in het voorjaar van 2011 in de Schelphoek geïnstalleerd en de pilot loopt 3 jaar.

Vanaf 2010

Mosselkweek MZI vs. Hatchery

In vervolg op het project Commissarismossel zal in dit project de kostprijs en kwaliteit van mosselen vanuit een hatchery vergeleken worden met mosselen die via MZI(MosselZaadInvanginstallaties) zijn verkregen. MZI worden gebruikt als alternatief voor de bodemzaadvisserij, en is een ‘concurrent’ van de hatcherytechniek. Om deze slag te maken is opschaling en modernisering van de hatchery nodig. Hiervoor worden de kweekruimten en ook de kweektechnieken grondig herzien om met zo min mogelijk mankracht, energie en ruimte een hoge productie te halen. Het mosselzaad vanuit hatchery en mzi technieken wordt zowel in hangcultuur als in bodemcultuur toegepast en met elkaar vergeleken. De looptijd is 2010-2013, in samenwerking met de Zeeuwse Mossel uit Bruinisse en Viskwekerij Neeltje Jans. Het project wordt ondersteund met subsidie vanuit het EVF-fonds Innovatie in de visketen.

De kweek van Zeekreeft in Scherpenisse

Wederom een initiatief van de Familie Bolier en dit keer in samenwerking met onderzoeksbureau Marinx, stichting Zeeschelp en de Hogeschool Zeeland. In 2010 is de samenwerking gestart en heeft geleid tot een kleine, maar succesvolle haalbaarheidsstudie van het opkweken van kreeftlarven.


Omdat het broedsucces van zaadkreeften in de inlagen van Scherpenisse onzeker is, moet de vermeerdering zelf ter hand worden genomen, waarbij kreeftlarven in kweek en pootkreeftjes in kooien worden uitgezet in de inlagen. De larvenkweek, huisvesting van jonge kreeft, en de procedure om succesvol pootkreeftjes uit te zetten in de inlagen zijn hierin belangrijke onderdelen. Met begeleiding zal de familie Bolier in de periode 2011-2013 zelf pootkreeftjes gaan kweken, waarna ze met deze methodiek zelfstandig verder kunnen.
Mocht het mogelijk blijken om jonge kreeft te kweken en deze op te laten groeien, dan geeft dat ook perspectieven elders in Zeeland voor binnendijkse kweek van kreeft. Het project is daarmee van regionale betekenis en wordt dan ook ondersteund met een subsidie vanuit de Provincie Zeeland. De uitkomsten van het onderzoek zijn dan ook openbaar.

Sealab (Sealand Environment and Aquaculture Laboratorium) Hogeschool Zeeland

In de afgelopen jaren is een voortdurende en vrijwel continue samenwerking met de studierichting Aquatische Ecotechnologie van de Hogeschool Zeeland opgebouwd. Naast samenwerking in diverse projecten heeft Zeeschelp, in samenwerking met Kees Kloet, een zoutwaterlaboratorium ingericht op het terrein van HZ, op basis van de gezamenlijke ervaring bij het inrichten van diverse praktijkruimten, en praktijkervaring bij de kweek van algen, schaal- en schelpdieren en vissen. Zodoende zijn er integrale voorzieningen van zeewater en zout grondwater, opstellingen voor metingen aan waterkwaliteit, allerlei bassins voor huisvesting van kweekorganismen en een kas voor de algenkweek. Hier kunnen studenten ervaring opdoen met onderzoek in de aquacultuur in het algemeen en/of gericht werken aan afstudeerprojecten.

Foto’s: Hogeschool Zeeland

Vanaf 2009

Broedstock Tarbot

Seafarm uit kamperland en Grovisco uit Stavenisse willen de bedrijfsvoering verder verbeteren, en willen daarom een broedhuis voor Tarbot opzetten. IMARES-Yerseke, WUR en Zeeschelp begeleiden en assisteren bij de opzet en uitvoering. Op het proefstation zijn faciliteiten voor een broedhuis voor schaal- en schelpdieren operationeel, en deze faciliteiten komen ook van pas bij een broedhuis voor vissen. Als aanzet voor een vissenbroedhuis is een ouderdierenstock van Tarbot op het proefstation gestationeerd, die op natuurlijke wijze paairijp wordt. Uit deze dieren worden Tarbotlarven verkregen en op innovatieve wijze opgekweekt tot juveniel, die vervolgens bij Seafarm en Grovisco verder tot consumptie kunnen groeien.

De kweek van zagers

Op verzoek van een zagerkweker hebben we de larvenkweek van zandzagers uitgevoerd, omdat dit onderdeel lastig voor hem was. Met onze ervaringen in hatcherytechnieken konden we deze kweker voorzien van pootgoed, waar de kweekvijvers mee zijn bezet.

Aquacultuur van schelpen in het Veerse Meer

Het Veerse Meer heeft de laatste jaren een constant zoutgehalte en een sterk verbeterde waterkwaliteit door de ‘Katse Heule’ in de Zandkreekdam.
De werkgroep ‘Veerse Meer Nieuwe Kansen’ (onderdeel van het Visserij Initiatief Zeeland) ziet in deze nieuwe situatie veel perspectief voor schelpdierkweek. Samen met beroepsvisser Van de Kreeke heeft Stichting Zeeschelp een pilot om Kokkels en Tapijtschelpen te gaan kweken in het Veerse Meer. Van de Kreeke richt zich verder ook op Oesters en Mosselen.


We willen Kokkels op een duurzame manier kweken, waarbij we gebruik maken van de hatchery en ook kokkelbroed uit de Westerschelde, dat ’s winters altijd verloren gaat door lage zoutgehalten. Tapijtschelpen komen in het kustwater niet algemeen voor, maar hebben een hoge kiloprijs. De broedjes van Tapijtschelpen komen dan ook uit de hatchery. In de beschutte proeftuinen van het Veerse Meer is geen of weinig uitval of predatie te verwachten, zodat de kweekrendementen naar verwachting gunstig zijn.
Vader en zoon Van de Kreeke experimenteren op kleine schaal al enkele jaren met mosselzaadinvang bij bestaande fuikopstellingen. Dit levert de grondstof voor de hangcultuur en uiteraard zal er ook wel een touwtje uit de hatchery komen. Het Veerse Meer is dus zelfvoorzienend: de gekweekte soorten schelpen komen hier reeds van nature voor en worden als broedstock gebruikt.
De afzet van schelpen uit het Veerse Meer is vooral rondom het Veerse Meer en in Zeeland, zodat men kan proeven van schelpen van de Zeeuwse kust. Hetzelfde geldt voor de uistraling van dit project: de kennis en kunde kan ook toegepast worden in de Grevelingen, of in later stadium in het Volkerak-Zoommeer (dat op termijn weer zout wordt).
De eerste inzichten laten goede groei van schelpen zien en het doel is te komen tot een rendabele duurzame kweek van Veerse Schelpen. In deze pilot is daarom gekozen voor uitvoering op semi-bedrijfsmatige schaal: er komen proeftuinen van een hectare Kokkels, een hectare Tapijtschelpen, 3 hectare bodemmosselen en 0,5 hectare mosselen in hangcultuur. Deze pilot loopt van 2009 tot en met 2014. Het project wordt ondersteund met subsidie vanuit het EVF-fonds Innovatie in de visketen.

Vanaf 2008

Begeleiding bij MZI’s

MZI’s (mosselzaad invanginstallaties) zijn in opkomst en de mosselsector experimenteert volop met deze techniek. Het principe bestaat uit het in het voorjaar uithangen van touw en netwerk in de waterkolom, waar zich de larven van mosselen op kunnen vestigen, die dan talrijk in het zeewater voorkomen. Broedval treedt meestal op in mei en vanaf augustus kan er geoogst worden. Door de vele verschillende technieken zijn we door verschillende kwekers gevraagd om hun systeem te monitoren en te evalueren.

Vanuit de hatchery hebben we uiteraard veel inzicht in de omstandigheden die bij broedval een rol spelen, en vervolgens de uitgroei tot mosselzaad in buitenwater hangcultuur. Zo ontstaat inzicht in wanneer, hoeveel en waar er broedval optreedt en hoe dit op de mzi’s uitgroeit. Met deze gegevens kan ook geschat worden wanneer het geschikte moment van oogst is. Oogst je te vroeg, dan is het mosselzaad nog klein en kunnen zeesterren en krabben op de bodempercelen zich uitleven. Oogst je laat, dan is het zaad ‘harder’ en beter bestand tegen zeesterren en krabben, maar bestaat de kans dat het door de zwaarte al eerder van de touwen is gevallen en ben je het kwijt. In de afgelopen jaren blijkt de groei van het mosselzaad per gebied (Oosterschelde, Waddenzee, Grevelingen) behoorlijk constant.

Algenkweek

Voor het broedhuis van schelpdieren zijn verschillende soorten algen nodig en deze worden in een inpandige kas gekweekt in rechtopstaande plastic zakken. In elke zak stroomt continu gepasteuriseerd zeewater dat verrijkt is met voedingsstoffen en CO2. Onder invloed van daglicht (en ’s nachts tl-licht) groeien de algen uit tot dichtheden van vele miljoenen cellen per milliliter. Zo is er de continue beschikking over verschillende mariene soorten, zoals de flagelaten Isochrysis, Pavlova, Dunaliella en Tetraselmis en de kiezelwieren Phaeodactylum, Skeletonema, Chaetoceros en Thalassiosira.
Naast eigen gebruik worden deze algen op verzoek ook geleverd, voor gebruik in aquacultuur- of wetenschappelijke experimenten. Incidenteel worden andere mariene soorten en ook algen op zoet water gekweekt. Informeer gerust naar de mogelijkheden.

Mosselpilot VOF Viskwekerij Neeltje Jans en Koninklijke Maatschap Wilhelminapolder

Viskwekerij Neeltje Jans kweekt al vele jaren mosselen in hangcultuur en innoveert voortdurend in verwerkingsmachines en teelttechnieken. Maatschap Wilhelminapolder is een (ultra)modern landbouwbedrijf en innoveert-optimaliseert voortdurend in de teelt van gewassen.
In deze samenwerking komen visserij en akkerbouw samen: de mosselkweker brengt de kweektechnieken van mosselen naar het land en de boer richt een stuk (verzilt) land in met natuurlijke vijvers die gevoed worden met zout grondwater en kweekt algen als voer voor de mosselen. Stichting Zeeschelp levert vervolgens mosselbroed en begeleidt, samen met de Hogeschool Zeeland en Imares, deze mosselpilot. De start was in juni 2009, en de komende drie jaar zullen er mosselen groeien op Zeeuwse grond. Noem het aquagricultuur.

De benadering is gericht op natuurlijke systemen waarin voorzieningen zijn verwerkt om de waterhuishouding te sturen. Landschappelijke inpassing is een belangrijk item bij deze pilot, die qua opzet prima tussen de andere pilots van binnendijkse schelpkweek past. Er is nu een overkoepelende ervaring in mogelijkheden van schelpdierkweek met zilt water uit natuurgebieden (plan Tureluur en de inlagen bij Scherpenisse), landschappelijke open vijvers en kunstmatige folievijvers bij Sint Philipsland.

Langoesten

Chain Partners in Water heeft faciliteiten op het proefstation gehuurd om een pre-productieonderzoek uit te voeren naar de eerste levensfase van de Langoest. Langoesten worden ook wel Rotskreeften genoemd. Ze zijn verwant aan de Zeekreeft (in Zeeland ‘Oosterscheldekreeft’), maar in prijs zijn ze veel duurder wat ze erg interessant maakt voor aquacultuur.
Langoesten worden, naast de gangbare visserij, als juveniel gevangen en in kweek genomen (zoals dat ook met glasaal in palingkweek gebeurt). De natuurlijke populaties staan echter onder druk en wereldwijd probeert men voor verschillende soorten langoesten de kweek van het larvenstadium onder de knie te krijgen. De larven van langoesten zijn intrigerend, omdat ze een bijzondere gedaante hebben en er nog weinig van ze bekend is.

Het pre-onderzoek van Chain Partners richt zich op deze larvale fase tot aan het bodembewonende stadium. De Provincie Zeeland ondersteunt het onderzoek met subsidie.

Verwateren van mesheften

Seafarm vangt mesheften in de Voordelta en verwerkt deze aan de Jacobahaven voor verzending binnen en buiten Nederland. Zij leveren op bestelling en altijd vers. Bij stormachtig weer is de aanvoer wel eens wisselend en is er soms weinig buffer om alle bestellingen vlot te verwerken. Daarnaast bevatten mesheften na het vangen in de regel wat zand, wat bij het eten wel eens tot geknars leidt. Liefhebbers nemen dit voor lief, maar Seafarm niet. Zij willen continuïteit en een perfect product.
In 2008 is in samenwerking met Zeeschelp op het proefstation een laboratoriumstudie opgezet naar de mogelijkheden van verwateren van mesheften. Factoren die invloed uitoefenen zijn o.a. de vangtechniek, waterkwaliteit en -zuivering, temperatuur. In een half jaar tijd werd een goede aanzet gegeven waarbij mesheften (onder laboratoriumomstandigheden) tot een zandvrij product verwaterd en meerdere dagen bewaard konden worden alvorens ze werden verpakt, zonder dat dit de houdbaarheid aantast. Seafarm heeft op basis van deze ervaringen een verwaterunit gebouwd en kan zo vele tonnen schelpen in stock houden.

Deze resultaten zijn door Seafarm vanaf 2009 verder uitgewerkt in een project om een verwaterunit te ontwikkelen die niet alleen voor mesheften, maar ook voor andere schelpen is te gebruiken.

Vanaf 2007

Winterzaad

Mossellarven ontstaan van nature in april-mei en de larven vestigen zich in mei-juni. De eerste algenbloei in buitenwater begint echter al in februari, zodat een flink deel van het groeiseizoen eigenlijk niet wordt benut. In deze pilot is in de winterperiodes tussen 2006 en 2009 maandelijks vanuit de hatchery mosselbroed in hangcultuur gebracht, om in het vroege voorjaar de planktonbloei te kunnen benutten. Het idee bleek te werken: in juni 2007 werd het eerste mosselzaad reeds geoogst. De lengte was tussen 2 en 3 centimeter, terwijl het mosselbroed dat van nature aanwezig is krap een centimeter groot was. Deze groeivoorsprong blijft bestaan in de verdere uitgroei.


In de zomer van 2008 zijn de eerste consumptiemosselen uit het ‘winterzaad’ geoogst.
Dit illustreert een voordeel van een hatchery: de groeiperiode kan worden ingekort door mosselbroed uit te hangen vanaf het moment dat er in het vroege voorjaar voedsel is. Dit biedt voor de kweker voordelen in termen van doorlooptijd. Het winterzaadprincipe is met opschaling ook in de winter van 2007-2008 en 2008-2009 toegepast.

Mosselakker

De ‘Mosselakker’ ligt in Sint Philipsland, bij landbouwer Wim van Nieuwenhuijzen. Met steun van Provincie Zeeland en ZLTO wordt gewerkt met folievijvers voor algenkweek en huisvesting van mosselbroed uit een hatchery. Het doel is productie van mosselzaad, en mogelijk doorkweek tot consumptieformaat. Na een aanlooptijd van regelgeving, de juiste middelen en materialen als ook aanpassingen door voortschrijdend inzicht is dit voorjaar een aanvang gemaakt met de kweek.
Door het gebruik van folievijvers is het mogelijk te sturen in de algensamenstelling, zodat het voedselaanbod te regelen is. Deze pilot is een eerste stap naar een gereguleerde teelt van schelpdieren op het land. ZLTO ziet mogelijkheden voor Zeeuwse landbouwers in zilte teelten.

Naast de techniekontwikkeling is deze pilot ook een voorbeeldproject voor ondernemers die een zilte kweek willen opstarten. Door alle ervaringen bij te houden en te verwerken in een handreiking komt men meer te weten over de eisen en doorlooptijden vanuit de regelgeving, de materialen die met zilte kweek worden toegepast en over hoe men zelf een zilte teelt kan opstarten. Het rapport is in januari 2009 opgeleverd, en beschikbaar voor geïnteresseerden. Het geproduceerde mosselzaad is in maart 2009 voor verdere uitgroei in hangcultuur op Neeltje Jans genomen. De uitgroei van dit mosselzaad is prima en heeft in de zomer van 2009 reeds halfwas grootte bereikt (circa 4 cm) en is in het voorjaar van 2010 geoogst als consumptiemossel.
Inmiddels is een vervolgstudie opgestart, met als doel om de algenproductie in de vijvers te verbeteren.

Pilot ontzilting Evides

Deze pilot is niet gericht op aquacultuur, maar op het ontzilten van zeewater tot drinkwater. Evides huurt faciliteiten op het proefstation zoals de aanvoer van (veel) zeewater om dit in de nieuw gebouwde ontziltingsplant te bewerken tot drinkwater. Evides ziet in de toenemende verzilting van grond- en oppervlaktewater genoeg redenen om een pilot uit te voeren naar wat er technisch en economisch komt kijken om hoogwaardig drinkwater op een minder gangbare manier te maken. Zo borgt men alle mogelijkheden voor de toekomst.

Het opgepompte zeewater wordt eerst gefilterd op deeltjes tot 50 micron, en daarna door speciale filters zodat het kraakhelder en deeltjes- en bacterie en virusvrij is. Na deze stap wordt met omgekeerde osmose het zout gescheiden van het water, zodat zoet water overblijft. Dit ondergaat daarna nog een enkele behandeling zodat het aan de normen voor Nederlands drinkwater voldoet. Evides innoveert in dit proces door zo weinig mogelijk chemische middelen en energie te gebruiken t.o.v. de gangbare technieken in het buitenland.
Over niet al te lange tijd stroomt dit ontzilte water uit de kraan in de keuken van stichting Zeeschelp en iedereen (behalve de mensen van Evides) is benieuwd hoe de koffie dan smaakt…

Vanaf 2006

Plan Kokkel in plan Tureluur

Binnendijkse natuurgebieden zoals Plan Tureluur omvatten honderden hectaren zout water, rijk aan algen. Door in de nurseryfase kokkels van dit water te voorzien kan wellicht een economisch rendement uit een natuurgebied mogelijk zijn. Vanuit de hatchery zijn kokkels gekweekt en als nursery is een proefopstelling nabij Moriaanshoofd geplaatst, waar algenrijk water doorheen stroomt. Met deze pilot was een unieke samenwerking van kracht geworden tussen stichting Zeeschelp, ondernemers (de Zeeuwse Kokkel, Meromar Seafoods), natuurorganisaties (ZMF, Natuurmonumenten, SBB) en het ingenieursbureau Grontmij.

In de periode september 2006-september 2007 werden de waterkwaliteit en de Kokkels nauwlettend gevolgd. Na een jaar experimenteren was de uitkomst dat Kokkels goed in Plan Tureluur kunnen overleven, maar niet of nauwelijks groeien. De aanwezige algen zijn geen geschikt voedselaanbod gebleken, zodat een Plan Kokkel in een natuurgebied niet levensvatbaar lijkt. Opmerkelijk is dat mossels zich er wel goed bij voelen. In 2008 is de proef dan ook herhaald met mosselbroed uit het broedhuis. Het mosselbroed is op lege kokkelschelpen als substraat gevallen en in het voorjaar van 2008 naar de opstelling gebracht. Daar heeft het tot september 2008 tot mosselzaad kunnen uitgroeien.
De resultaten met mosselen zijn beter dan met kokkels. Het mosselbroed is uitgegroeid tot mosselzaad, dus een zilt natuurgebied als PlanTureluur heeft potentie als nursery.

Wel is het zo dat de uitgroeisnelheid van mosselbroed (1-2 mm) tot mosselzaad (1-2 cm) met water uit het natuurgebied minder snel is dan in de Oosterschelde. Dit is een gevolg van de algensamenstelling in het water van het natuurgebied, die dus niet volledig aansluit op de optimale voedselbehoefte van de mossel. Plan Tureluur is echter een gebied in ontwikkeling, dus het kan zijn dat de algensamenstelling in de toekomst verandert en gunstiger wordt. Het is dus zaak om over een enkel jaar weer eens te kijken hoe de zaken staan.

Het mosselzaad is vervolgens in hangcultuur genomen om door te groeien tot consumptieformaat. De uitgroei van dit mosselzaad is goed, in voorjaar 2009 is halfwas bereikt en in het voorjaar van 2010 zijn deze als consumptiemosselen geoogst.

Vanaf 2005

Mosselen van Toon Bolier

De inlagen van de Scherpenissepolder worden gevoed met zout grondwater, waar veel voedingsstoffen voor algen in voorkomen. Deze algen groeien uitbundig in het water van de inlagen en Toon Bolier zag samen met stichting Zeeschelp kansen om de kweek van schelpdieren uit te proberen. Sinds december 2005 zijn we gezamenlijk bezig om mosselen binnendijks te kweken in de inlagen van Scherpenisse op Tholen.

Een verhaal van vallen en opstaan, en vooral doorgaan. Uiteindelijk is het gelukt om in een periode van 13 maanden mossellarven te laten uitgroeien tot mosselen van 6 centimeter grootte. Toon Bolier eet er lekker en goed van. Hiermee werd het bewijs geleverd dat het mogelijk is om in ruim een jaar tijd binnendijks mosselen te kweken, vanaf het larvestadium tot aan consumptieformaat (6 cm). Met het juiste voedsel moet zelfs een kweekperiode van 8 tot 10 maanden in het verschiet liggen.

Foto: Hogeschool Zeeland.

Wel is de overvloedige algenbloei in de inlagen soms een probleem, waarbij ook af en toe ongewenste algensoorten kunnen opkomen. Deze werken soms vertragend op de groei van mosselen. Het kweken in natuurgebieden is dus afhankelijk van factoren, die soms moeilijk te sturen zijn. Op bepaalde momenten is een flinke doorstroming of zelfs een kortstondige drooglegging wenselijk om de kweek van schelpdieren te continueren. Dit soort beperkingen staat opschaling op het moment in de weg, maar er wordt aan gewerkt.

Vanaf het begin

Commissarismossel

In 2004 zijn we op kleine schaal begonnen met de hatcherytechniek. Gezien de maatschappelijke discussie werd gekozen voor de Mossel, omdat aan mosselzaad een structureel tekort was ontstaan. Bart Schot, een mosselpionier in hangcultuur van het eerste uur, sprak met Marco Dubbeldam over de mogelijkheden die zouden kunnen ontstaan als het mosselzaad kunstmatig te kweken zou zijn. Beiden zagen er wel gat in om larven uit mosselen te kweken en deze te laten opgroeien. De combinatie van een oude rot en een jonge hond bleek een juiste: beiden hadden oog en oor voor elkaars inzichten en Bart Schot gaf een enkele keer het duwtje, dat nodig was om door te gaan.
Intussen waren enkele innovatieve ondernemers nieuwsgierig geworden en werd er met begeleiding van Syntens een samenwerking opgezet met de hangcultuurbedrijven Zeeuwse Mossel uit Bruinisse en Viskwekerij Neeltje Jans.
Wim van Gelder was als voorzitter van het Innovatieplatform Aquacultuur betrokken bij nieuwe onderwerpen en zag als Commissaris van de Koningin perspectieven voor Zeeland.
Tijdens een bezoek aan het proefstation zag hij mossellarven onder de microscoop zwemmen, enkele maanden later zag hij het als mosselzaad dat in hangcultuur opgroeide en vervolgens een jaar later lag het op zijn bord in restaurant Oud Sluis van Sergio Herman.

Foto: Hameeteman Foto BV

Zijn betrokkenheid bij dit project was groot en in de wandelgangen spraken we al gauw van commissariszaadjes en commissarismosselen. Door de hoge kwaliteit en de flinke afmetingen van de mosselen, die vanuit de hatchery in anderhalf jaar werden bereikt, werd de benaming al snel een begrip: Commissarismossel. Deze unieke mossel wordt nu jaarlijks op kleine schaal gekweekt bij de Zeeuwse Mossel en Viskwekerij Neeltje Jans.

In de periode vanaf 2005 zijn we elk jaar bezig geweest om het kweekproces verder te optimaliseren. In september 2009 is tijdens de Schelpdierconferentie in Yerseke een presentatie gehouden over de ontstane inzichten in een broedhuis voor mosselen over een periode van 5 jaar. (zie ook www.schelpdierconferentie.nl/Files/Day2/Mosselbroedhuis_2005-2009.pdf). Bijgaande grafieken geven de belangrijkste informatie weer van productie en kostprijsverloop.

Deze grafieken laten zien dat er elk jaar forse verbeteringen zijn doorgevoerd. Ook laten zij de gevoelige kant zien: het is (nog steeds) een kostbaar proces, en het gekweekte schelpdierbroed moet zonder al te veel uitval tot consumptieafmeting kunnen groeien. In hangcultuur en binnendijkse kweek zijn hoge kweekrendementen behaald, die veel hoger liggen dan gebruikelijk in de traditionele bodemcultuur. Hier liggen dan ook de kansen voor een broedhuis voor mosselen. In de periode 2010-2013 wordt deze kennis en kunde verder doorvertaald in het project mosselkweek MZI vs. Hatchery (zie pilots vanaf 2010).

De broedhuistechniek is uiteraard ook toepasbaar voor kokkels, tapijtschelpen en oesters. Deze soorten hebben een hogere marktprijs, waardoor de broedhuistechniek eerder financieel aantrekkelijk wordt. Dit aspect wordt toegepast in de pilot in het Veerse Meer waarbij gebruikt wordt gemaakt van beschutte ‘schelpentuinen’ (zie pilots vanaf 2010).