Telefoon: 0113-376296

Fax: 0113-376297

Onderzoek naar kweektechnieken

 

Het kweken van schelpdieren vanuit landgebaseerde systemen

Het kabinet zet in op een schelpdierbeleid dat perspectief biedt op een economisch gezonde bedrijfstak met productiemethoden die de natuurwaarden respecteren en waar mogelijk versterken. Bij het tot stand komen van dit beleid zijn visserijdoelen (profit), ecosysteemdoelen (planet) en maatschappelijke doelen (people) beoordeeld en tot een gezamenlijk beleid geïntegreerd. Vrijwel alle onderdelen van de schelpdierkweek en –vangst vinden momenteel plaats in natuurlijke ecosystemen. Wetgeving en richtlijnen als de NB-wet, de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Europese Kaderrichtlijn Water zijn daarom sterk bepalend voor de ecosysteemdoelen en kunnen beperkend zijn voor zowel de aard als de omvang van de economische activiteiten. Aan de andere kant kunnen nieuwe (binnendijkse) zilte natuurgebieden wel eens een goede voedingsbron vormen voor schelpdieren, door het algenrijke water dat daar van nature voorkomt. Plan Tureluur is hiervan een voorbeeld.

Stichting Zeeschelp ontplooit initiatieven om te bekijken in hoeverre het kweken van schelpdieren ‘op het land’ haalbaar is. Er wordt samengewerkt met vele partijen waaronder schelpdierkwekers als De Zeeuwse Mossel, Viskwekerij Neeltje Jans, W.K. Schot B.V., W.D van den Berg B.V. en andere innovatieve ondernemers, maar ook onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit Grontmij|AquaSense en Hogeschool Zeeland. Voor dit onderzoek is een subsidie toegekend door het ministerie van LNV en de Provincie Zeeland in het kader van de FIOV-gelden, die gericht zijn op innovaties in de aquacultuur. Het grootste deel van de investeringen komt echter voort uit de samenwerkingsverbanden.

Op de Dag van de Zeeuwse Visserij zijn we voor ons pionierswerk in de mosselkweek beloond met de Zeeuwse Visserij Award 2006.

Als onderdeel van een consortium is de Stichting Zeeschelp op dit moment met diverse pilots bezig om de haalbaarheid van schelpdierkweek op het land te kwantificeren. In dit onderzoek wordt ook de kostenkant meegenomen zodat een beeld ontstaat van zowel de technische als economische haalbaarheid.

Pilots Aquacultuur

Commissarismossel
Plan Kokkel in plan Tureluur
Mosselen van Toon Bolier
Winterzaad
Mosselakker
Veerse Meer Schelpen


De basis van deze pilots wordt gevormd door twee technieken, die veelal met hun Engelse termen worden aangeduid, namelijk hatchery (of broedhuis) en nursery (kinder- of kweekkamer). Deze twee technieken hebben we sinds 2005 operationeel.

Hatchery

In een hatchery worden de larven van allerlei schelpdieren gekweekt. Volwassen schelpdieren laten we ‘melken’ (zoals de kweker het noemt), waarna vele miljoenen larven zich kunnen ontwikkelen uit de al dus verkregen bevruchte eicellen. Deze larven zwemmen in het zeewater, worden in grote bassins gehouden en gevoerd met algen. Na enkele weken zijn ze volgroeid en ondergaan een metamorfose. Bij de metamorfose schakelen ze van het vrije waterleven over naar een leven op de bodem. Afhankelijk van de soort (bijv. Mossel, Kokkel of Oester) hebben ze behoefte aan b.v. touw, schelpen, stenen of zand.
Na de metamorfose wordt gesproken over schelpdierbroed, dat een fractie van een millimeter groot is.
In een broedhuis kan selectie van ouderdieren, selectie op larven en sturing van het voer plaatsvinden, zodat een grondstof van goede kwaliteit de basis vormt voor verdere kweek.


In één specifiek geval (namelijk de mosselkweek in hangcultuur) kan dit jonge broed vrijwel direct geleverd worden aan kwekers, die het broed op touwen verder opkweken. In veel andere gevallen is een tussenstap nodig (de nursery of kweekkamer), waar de dieren onder beschermde condities verder kunnen groeien tot juvenielen, alvorens ze in buitenwater tot consumptieformaat worden gekweekt.

Nursery

In de nursery worden de jonge schelpdieren verder opgekweekt tot juveniel van meerdere millimeters tot een enkele centimeter. Na de broedval treedt een snelle groei op: na enkele maanden is de schelplengte meestal 1 à 2 centimeter geworden. In deze fase zijn veel algen nodig, omdat de jonge schelpen exponentieel voedsel nodig hebben.
Een voorbeeld vanuit de nursery is het mosselzaad, zoals de mosselkwekers het opvissen uit de natuur. Dit mosselzaad is voor de mosselkweker de grondstof voor zijn kweekpercelen. Maar de nursery kan evengoed gericht zijn op een aansluiting op een meer gestuurde grow-out met b.v kokkels en tapijtschelpen, d.w.z. het geconditioneerd opkweken van dieren tot aan consumptiegrootte.


Voordelen

De voordelen van deze hatchery / nursery technieken zijn divers. Om er enkele te noemen:

  • Een alternatieve manier om grondstof voor schelpdierkweek te leveren.
    Het verzamelen van mosselzaad, als grondstof voor de mosselkweek, is streng gereguleerd, onder andere in verband met de reservering van voedsel voor de vogels in de Waddenzee. Deze jaarlijkse hoeveelheid opvisbaar mosselzaad is onvoldoende voor de sector. Hatchery/nursery technieken zijn dan ook een methode die kan helpen in het verkleinen van dit tekort. Voor andere schelpdier soorten zoals de Kokkel is de wildvangst nog sterker gereguleerd en biedt een kweek op land perspectieven als alternatief. Daarnaast opent het mogelijkheden voor de kweek van de duurdere soorten, zoals Tapijtschelpen, Venusschelpen of andere zeedieren (zee-egels).
  • Minder seizoensafhankelijk
    Schelpdieren planten zich in de natuur meestal één keer per jaar voort. Dit gebeurt in het voorjaar als de watertemperatuur stijgt. Daarnaast wordt soms in het najaar ook nog een kleine piek in de voortplanting waargenomen. Deze seizoensafhankelijkheid betekent ook dat de beschikbaarheid van ‘zaad’ van de juiste grootte een seizoensafhankelijkheid kent. Het kweken van schelpdieren op het land kent dit nadeel niet omdat schelpdierlarven gedurende het gehele jaar, maandelijks geproduceerd kunnen worden.
  • Hogere productie
    De opbrengst van de schelpdierkweek of –vangst in natuurlijke ecosystemen wordt sterk bepaald door de natuurlijke dynamiek. Vooral de beschikbare hoeveelheid voedsel en de hoeveelheid predatie zijn bepalend. Uit een kilo mosselzaad (circa 1000-2000 dieren) kan een kweker gemiddeld 2 kilo consumptiemosselen halen (circa 80-150 dieren). Of zoals de mosselkweker het zegt: ‘2 van 1’. Als de dieren echter in beter beheersbare systemen op het land worden gekweekt kan zowel de voedselvoorziening geregeld worden en de uitval door predatie (door zeesterren, krabben, garnalen en vogels) worden geminimaliseerd. De opbrengst uit 1 kilo mosselzaad is dan een veelvoud (tot ’10 van 1’).

Er is (nog) 1 nadeel

Deze techniek is (nog) vrij duur. Hatchery-nursery wordt al tientallen jaren wereldwijd toegepast, maar voor Nederland is het een nieuwe manier van werken. Ervaring moet nog worden opgebouwd en technieken met inheemse soorten vanuit pilotschaal verder geoptimaliseerd. Doordat we nog in een pionierfase verkeren is de grondstof uit een broedhuis nog prijzig in vergelijking met de wilde vangst. Maar door de genoemde voordelen zal het een kwestie van tijd zijn, om te kunnen ‘concurreren’ met de prijzen vanuit wildvangst.